Historische locaties

Huize Vechtstroom bij Breukelen

Op pagina 90 van De Smeekbede denkt Engelbert terug aan een tuinfeest bij buitenhuis Slangevegt in Breukelen. ‘Schitterend was dat geweest, die verlichte tuin aan het water en de prachtig uitgedoste gasten.’ De geschiedenis van sommige buitenhuizen aan de Vecht zijn verweven met die van Surinaamse suiker. Engelberts bezoek heeft zich ergens in de jaren veertig afgespeeld, toen Slangevegt werd bewoond door Eva Wanningh en haar tweede man. Haar eerste echtgenoot Abraham de Wit was in 1722 overleden en zij was in 1724 hertrouwd met de Breukelse schout Hendrik Block. De familie De Wit zat ‘in de suiker’ en woonde ’s zomers op de buitenplaats in Breukelen. Buitenhuis Vechtstroom werd in 1753 bezit van Everardus Dudok (1714 – 1779). Hij exploiteerde tot omstreeks 1771 de suikerraffinaderij Uytzigt op de Lijnbaansgracht te Amsterdam. Zijn vrouw kwam uit Paramaribo en door haar raakte hij in Surinaamse suikerplantages ge├»nteresseerd. De familie Dudok was nauw verbonden met de familie De Wit.

Op pagina 75 denkt Engelbert aan de Latijnse spreuk boven het raadhuis van Vianen: audi alteram partem (luister voor u oordeelt ook naar de andere partij). Het helpt hem helaas niet de beide kanten van het slavernijsysteem objectief te beoordelen. De spreuk staat nog altijd boven de deur van het mooie pand in Vianen.

De Waalse gemeente te Vianen beschikte werkelijk (p. 52) slechts over een kleine ruimte, die eerder een bedehuis voor zieken en passanten was geweest en kort als katholieke gebedshuis dienst had gedaan. Het gebouw van rode baksteen is veel lager dan het gotische stadhuis, maar maakt er nu onderdeel van uit.

Pagina 86: ‘Hij dacht terug aan de kou van januari thuis. Toen was alles stijf bevroren geweest en in de bijkeuken moest er een wak in de waterbak gehakt worden. Zelfs het met mest afdekken van de pomp op de Voorstraat, zoals de aannemer elke winter deed, had niet kunnen voorkomen dat ook die pomp muurvast was dichtgevroren. Hij kon het gevoel van tintelende tenen en vingers maar met moeite terughalen. ‘

Hiernaast de pomp die nog altijd in Vianen aan de Voorstraat staat.

Pagina 224: ‘In het donker van de avond slenterde ze doodmoe terug naar het witte kerkje en probeerde of de deur op slot zat. Heel voorzichtig duwde ze de klink naar beneden, die krakend toegaf. Achter de deur kroop ze in een hoekje, haar hoofd op de koffer, en probeerde in slaap te komen.’

Links: De kerk van de Evangelische Broedergemeente aan de Steenbakkerijstraat in Paramaribo.

Hiernaast een afbeelding van het huidige uitzicht vanaf de waterkant van wat vroeger plantage Boxel heette.

Pagina 91: ‘Zijn gastheer drong er de volgende ochtend bij het afscheid op aan dat hij verderop langs de rivier ook Jodensavanne zou aandoen om van het bruisende water uit de nabijgelegen medicinale bron te drinken. Ze konden het haast niet missen: het dorp lag prachtig aan een weidse baai, omringd door glooiende heuvels met op het hoogste punt de synagoge, legde hij uit met trots in zijn stem.’

Links: De medicinale bron is er nog steeds.

Op p. 52 bezoekt Engelbert voor het eerst de suikerraffinaderij Den Toelast. Het pakhuis heet nu Bordeaux aan ligt aan de Wijnstraat 61/63 in Dordrecht. De suikerraffinaderij werd genoemd naar de toenmalige naam van het pakhuis Den Toelast, dat op 17 maart 1763 werd aangekocht voor 4.000,- gulden om er een suikerraffinaderij in te vestigen. Deze raffinaderij werd opgericht door Hilmar Backer (suikerraffinadeur aan de Kalkhaven te Dordrecht) en Jan Melchior Dam en Willem Hardus (beiden Dordtse koopmannen). Jan Dam, het contact van Engelbert handelde in 1763 samen met Hardus ook in zout (firma Dam & Hardus).